(Fr. oversprong < jambe = been). Een stijlkenmerk dat voorkomt wanneer een versregel wordt afgebroken op een plaats waar geen natuurlijke pauze in de zin is. We krijgen dus in grafisch opzicht een doorbreking van de natuurlijke syntactische samenhang. De sterkte van een enjambement kan variëren naargelang een zinsstructuur, een woordgroep of een enkel woord doorbroken wordt.

Bv.      ik luister naar de geluiden

            binnen in mijn oor en niet daar-

            buiten loop ik op en af trappen                       (Hans Lodeizen, ‘Het uiterlijk behang’ uit Het innerlijk behang, 1952)

Literatuur: W. Kramer, ‘Expressie-waarden van het enjambement’ in De nieuwe taalgids, 1931, pp. 65-77. H. Golomb, Enjambment in Poetry, 1979. A. van Leuvensteijn, ‘Enjambment and Emotion: end-stopped lines and run-on lines in Huygens and Vondel’ in Dutch Crossing 39, 1989, pp. 53-60.