Chicagoschool

Groep critici, geassocieerd met de University of Chicago, die vanaf 1935 felle kritiek leverden op het New Criticism, dat in die periode een steile opgang kende aan de Amerikaanse universiteiten. Vooral met hun essaybundel Critics and Criticism: Ancient and Modern (1952), uitgegeven door R. S. Crane, hun belangrijkste woordvoerder, traden de Chicago Critics sterk naar voren. Ze verweten de New Critics zich te eenzijdig op het talige medium en ambiguïteiten te concentreren. Om aan de literaire kritiek een breder perspectief en grotere conceptuele strengheid te verlenen, lieten ze zich inspireren door de poëtica van Aristoteles (vandaar het synoniem Neo-Aristotelian School). Dit verklaart de hernieuwde aandacht voor de auteur, voor het effect van een tekst op de lezer, en voor problemen als mimesis, plot en genre.

Tot de eerste generatie van de Chicagoschool horen naast R.S. Crane o.m. E. Olson, N. Maclean, R. McKeon en B. Weinberg. W.C. Booth is de belangrijkste vertegenwoordiger van de tweede generatie. Vernieuwend was vooral zijn aandacht voor de retorische middelen waarmee een vertelinstantie de lezer manipuleert (The Rhetoric of Fiction, 1961, 19832).

 

Literatuur:W.K. Wimsatt jr., ‘The Chicago Critics’ in Comparative Literature, 1953, pp. 50-74. J.R. Baker, ‘From Imitation to Rhetoric: the Chicago Critics’ in J. Spilka (red.), Towards a Poetics of Fiction, 1977, pp. 136-156. H. van Gorp, ‘Wayne C. Booth (1921-2005)’ in A. Masschelein & D. De geest, Engelstalige Literatuur na 1945. Deel 3: Kritiek, Theorie en Essay, 2006, pp. 35-46.