Dadaïsme, dada

Nihilistisch ingestelde ‘artistieke’ beweging die tussen 1916-1925 floreerde in centra als Zürich, Berlijn, Hannover, New York en Parijs. De naam ‘dada’, waarvan de oorsprong betwist wordt, zou o.a. slaan op primitieve keelgeluiden, de eerste klanken van het kind, het beginnen op nul. In die zin is hij programmatisch voor deze principieel onprogrammatische beweging die door destructief nihilisme, gratuit circusvertoon en absurde schandaalsessies tegen zowat alles van leer trok. De belangrijkste kenmerken of beweegredenen van deze anti-alles-beweging zijn agressie tegen de conventionele waardeschaal van de burger, anarchisme, bewuste incoherentie, cultus van de contradictie en de paradox. Zie ook avant-garde*.

In Zürich richtten Tristan Tzara, Hugo Ball en Richard Hülsenbeck in 1916 het Cabaret Voltaire op, waar tijdens provocerende happenings obsceniteit en antimilitarisme ten beste werden gegeven. Een geliefd procedé is het simultaneïsme: teksten worden in verschillende talen tegelijk voorgedragen, geschreeuwd, gestotterd, gejodeld. Ook het klankgedicht (Dts. Lautgedicht), dat uit een resem onverstaanbare klanken bestaat en begeleid wordt door atonale* muziek en ketelgeluiden, past in deze radicale tabula-rasa-woede. In Hannover was vooral Kurt Schwitters actief, de uitvinder van de Merzkunst (Dts. Merz = nieuwvorming van onduidelijke oorsprong, met mogelijke verwijzing naar ‘Kommerz’ of ‘merde’), waarin de afbraak van alles en niet in het minste van de artistieke institutie tot norm wordt verheven. In New York hadden Marcel Duchamp, Francis Picabia en Man Ray de cultus van de vrijblijvendheid al op de spits gedreven door artistieke blasfemieën als de readymade*. In Nederland vertoont de figuur van Theo van Doesburg (I.K. Bonset) en diens werk zekere affiniteiten met dada, terwijl in België Paul van Ostaijen en Gaston Burssens enige tijd onder de invloed van het dadaïsme stonden.

 

Voorbeelden van dadaïstische teksten zijn:

-           tuffm im zimbrabim negramai bumbalo negramai bumbalo tuffm i zim

            gadjama bimbala oo beri gadjama gaga di gadjama affalo pinx

            gaga di bumbalo bumbalo gadjamen

            gaga di bling blong

            gaga blung      

(uit Hugo Balls Lautgedicht ‘Gadji beri bimba’)

 

-           O ! de hall hall hall hol hol holkaas kaashol kaas chapeau

            St.Pieter waarin factillistische hermaphroditen smachtend uit

            van Goghlen gaan.

            O tropisch lijk samengesteld uit de skeletten en mummies

            van alle doedelzakken geplakte zakken. ZAK

            Niets, uitgezonderd D a d a, is bij machte deze slaperige kom-

            kommerarchitektuur den grond in te stampen.

            ja ja

            DADA           

(I.K. Bonset)

 

Literatuur: R. Huelsenbeck (red.), Dada. Eine literarische Dokumentation, 1964. C.W.E. Bigsby, Dada and Surrealism, 1973 (The Critical Idiom). D.A. Steel, ‘DADA-ADAD. Kurt Schwitters, poetry, collage, typography and the advert’ in Word & Image, 1990, pp. 198-209. J. Schäfer & A. Merte, DADA total: Manifeste, Aktionen, Texte, Bilder, 1994. M. Dachy, Dada et les dadaïsmes, 1995. # H. van den Berg, Dada, een geschiedenis, 2004.