Metafictie

 

 

(Gr. meta = na, achter, mede). Term in 1970 gelanceerd door de Amerikaanse auteur William Gass als verzamelnaam voor de praktijk en de verschillende procedés van tekstuele zelfobservatie en autoreflectie binnen het narratieve genre, meer specifiek in de postmoderne roman (sien postmodernisme). De tekst bezint zich op zijn statuut als genre, op zijn functie als vertelvorm, op zijn hoedanigheid van fictionele of realistische voorstelling. De verscherpte staat van zelfbewustzijn is deels een recent crisisverschijnsel – immers, de roman heeft als narratieve en fictionele vorm terrein moeten prijsgeven aan andere vertellende en illusiescheppende media als film en televisie. Impliciet kan metafictie evenwel als een constante in de romanliteratuur beschouwd worden.

Dergelijke momenten van zelfproblematisering in de roman treden vooral op de voorgrond in zgn. crisisperiodes, zoals de achttiende eeuw, de beginperiode van de moderne roman, met als uitschieter Tristram Shandy (1759-67) van L. Sterne, waarin het verhaal telkens onderbroken wordt door metanarratieve commentaren. In de postmoderne roman wordt metafictie een dominant element van de tekst. De problematische relatie tussen realiteit en fictie wordt consequent blootgelegd; procedés en romantechnische conventies als de alwetende verteller , de plot/story  of het personage  worden systematisch ondergraven. Een voorbeeld van dergelijke reflectie op intratekstueel niveau is de zgn. self-begetting novel, waarin de verteller het woord uit handen geeft en de personages het verhaal verder laat vertellen. Het breken met of parodiëren van formele procedés heeft natuurlijk ook steeds een intertekstuele dimensie. In The French Lieutenant’s Woman (1969) bv. neemt John Fowles een loopje met bepaalde conventies van de negentiende-eeuwse realistische roman zoals de alwetende verteller en de eis van de afgeronde plot. Een andere vorm van metafictie is het invoegen van kritische commentaren, zoals in Borges’ Ficciones (1944) of Nabokovs Pale Fire (1962). Vaak terugkerende procedés zijn de mise-en-abyme , het spel met de fictie van het teruggevonden manuscript (U. Eco’s Il nome della rosa, 1980), en de reduplicatie van het verhaal en het vertellen (I. Calvino’s Se una notta d’inverno un viaggiatore, 1979). Een belangrijk thema is dat van de wereld als boek en het boek als wereld. Prominente vertegenwoordigers zijn verder nog J. Barth, D. Barthelme, Ch. Brooke-Rose, G. Sorrentino. Zie ook autoreferentieel,  ficción , nouveau roman , postmodernisme.

Literatuur: R. Scholes, Fabulation and Metafiction, 1979. L. Hutcheon, Narcissistic Narrative. The metafictional paradox, 1984. P. Waugh, Metafiction, 1990. A.M. Musschoot, ‘The Challenge of Postmodernism: representation – historiography – metafiction’ in Dutch Crossing, 1990, pp. 3-15. M. Duperray, Historicité et metafiction dans le roman contemporain des îles britanniques, 1994. M. Currie, Metafiction, 1995. B. Vervaeck, Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman, 1990.